‘Dat gaat niet goed met die boot. Ze lijkt achteruit te varen…’
Gilles kijkt bezorgd naar het navigatiescherm. Ik weet wat hij denkt.
Ik knik. ‘We gaan kijken’. Dat zouden we zelf ook gewild hebben als we in nood waren.
We wijken 2 kilometer van onze koers af.
Waar we aan het varen waren, is geen land in zicht. Nog 8 uur varen naar Sardinië.
Het is 19.00 uur en het wordt bijna donker.
Als we dichterbij de boot komen, zien we de mast heen en weer zwiepen. Lijnen en een reddingsboei hangen in het water. Maar geen mens te zien.
𝐄𝐞𝐧 𝐬𝐩𝐨𝐨𝐤𝐬𝐜𝐡𝐢𝐩.
Ik word zenuwachtig. Is er iemand overboord geslagen? Liggen er gewonden aan boord? Wat kunnen wij hier op open zee doen? We hebben de plicht mensen in nood te redden.
We varen om de boot heen, observeren, maken veel lawaai met onze misthoorn. Geen reactie.
Na flink wat moeite bereiken we de kustwacht. Gelukkig kennen ze de boot.
Deze zeilers blijken bij Zuid-Frankrijk in nood geraakt en per helikopter gered. Maar hun boot drijft sindsdien stuurloos verder over de Middellandse Zee. Inmiddels bij Sardinië.
We krijgen toestemming om door te varen.
Toch voelt het vreemd om die boot achter te laten. Zonder bemanning. Zonder verlichting. Midden op zee. Terwijl het donker wordt. Ik heb nog 100 vragen over deze situatie.
Bijvoorbeeld: over de volgende zeilers, die haar tegenkomen. Die weten van niets en zullen waarschijnlijk precies hetzelfde doen als wij.
Zo dobbert dit spookschip verder. Tot waar? Afrika? Niemand die het weet…






