“Whatever your goal is you will never succeed unless you let go of your fears and fly”

220. Terug op Sicilië – deel 2

Toen we overstaken vanuit het zuidoosten van Sicilië (Siracusa) naar Malta en het bezoeken van Malta, keerden we weer terug op Sicilië.

Hieronder zie je de route die we hebben gevaren en ik heb de hoogtepunten die we gezien hebben langs de Siciliaanse zuidkust beschreven.

Ankeren

We staken over vanuit Valetta, de hoofdstad van Malta naar Marina di Ragusa in Zuid-Sicilië. Dat is 50 nautical miles en wij varen vaak met een snelheid van 5 knopen, dus dan doe je er 10 uur over, nog net met daglicht goed te doen.

In Marina di Ragusa gingen we ankeren vlakbij de haven en konden met onze e-bike en e-step naar de Spar om boodschappen te doen. En we zagen de catamaran liggen van 2 Amerikanen die we in Kalamata, Peloponnesos. Ze waren helaas niet op de boot, maar leuk om hun boot na Griekenland ook hier weer te zien!

We gingen door naar Licata, waar we ook weer ankeren. De wind wapperde daar alle kanten op, want je ook goed kan zien op het scherm van het Ankeralarm die bijhoudt waar het anker ligt en of dit binnen de cirkel is die we op het scherm hebben gezet.

Scala dei Turchi

Weer een flinke tocht langs de kust en bij Scala dei Turchi konden we goed ankeren, namelijk beschermd voor de golfslag en met weinig diepte op een zandbodem (3 a 4 meter).

Voordat we daar aankwamen, was ik wel benieuwd naar de term ‘Scala dei Turchi’ wat wat letterlijk vertaald Trap van de Turken betekent. Het bleek een van de bijzonderste natuurverschijnselen van Sicilië te zijn.

Er rijzen namelijk spectaculaire, spierwitte rotswanden op uit de turquoise Middellandse Zee. Het lijkt alsof iemand een enorme marmeren trap heeft aangelegd, maar deze bijzondere vormen zijn volledig door de natuur ontstaan.

De rotsen bestaan uit mergel, een mengsel van kalk en klei. Het bijzondere is dat een groot deel van die kalk afkomstig is van microscopisch kleine zeeorganismen.

Miljoenen jaren geleden leefden deze organismen in de Middellandse Zee. Na hun dood zonken hun kalkhoudende skeletjes naar de zeebodem. Daar vormden ze dikke lagen sediment die uiteindelijk versteenden.

Het resultaat is een zachte, bijna sneeuwwitte steensoort die in fel zonlicht werkelijk lijkt op marmer of sneeuw.

Door geologische bewegingen kwamen de gesteentelagen boven de zeespiegel terecht. Wind, regen en zeewater sleten de zachtere mergellagen sneller weg dan de hardere kalksteen. Hierdoor ontstonden de karakteristieke, golvende traptreden die naar zee afdalen.

Waarom heet het dan de Trap van de Turken? Volgens verhalen gebruikten Turkse piraten in de zestiende eeuw de beschutte baai als aanlegplaats. De natuurlijke, trapsgewijze rotsformatie maakte het relatief eenvoudig om vanaf hun schepen aan land te komen. Vervolgens zouden ze de omgeving zijn ingetrokken om dorpen te plunderen. Of die piraten daadwerkelijk deze specifieke rotsen als trap gebruikten, is niet met zekerheid vastgesteld. Maar de legende heeft de locatie wel haar bijzondere naam gegeven.

Je kunt er op wandelen, maar alleen onder begeleiding, 20 minuten, alleen via reservering te boeken en de kosten zijn € 6 per persoon. Ik blijf dat gek vinden voor een natuurverschijnsel, om daar entree voor te vragen.

Wij zijn er met de drone overheen gevlogen, en dan zie je ook goed dat het een reusachtige marmeren trap lijkt, maar wat dus eigenlijk een versteende zeebodem is van miljoenen jaren oud!

Selinunte

Hier zagen we vanaf het water overblijfselen van een indrukwekkende Oud-Griekse stad. Bijzonder is dat deze tempels al zo’n 2.500 jaar oud zijn en nog altijd boven de Middellandse Zee uittorenen.

Rond 650 voor Christus stichtten Griekse kolonisten de stad Selinunte, die uitgroeide tot een welvarende handelsstad.

In die tijd was het zuiden van Italië, inclusief Sicilië, onderdeel van de Griekse invloedssfeer. Dit gebied werd Magna Graecia genoemd, oftewel Groot-Griekenland.

In 409 voor Christus werd de stad aangevallen door de Carthagers, afkomstig uit het huidige Tunesië. Tijdens een hevige belegering werd een groot deel van de stad verwoest en kwamen veel inwoners om het leven of werden gevangengenomen.

De stad werd later gedeeltelijk opnieuw bewoond, maar bereikte nooit meer haar vroegere welvaart.

Mazara dei Vallo

In Mazara dei Vallo lagen we in een baai en ontmoeten we 2 Nieuw-Zeelanders, ook met een catamaran, die straks ook de oversteek willen gaan maken over de Atlantische Oceaan. We hadden een leuke klik met hen, hun kinderen die toevallig ook aan boord waren, waarvan er 1 in Middelburg studeerde, waren ook erg aardig!

We gingen met de dinghy aan land, om op het plein in dit stadje een drankje te drinken en heel veel herkenbare zeilervaringen te delen. Een leuk herinnering!

Favignana

We wilden zo ver mogelijk in het westen Sicilië belanden, omdat je vanuit daar de kortste route naar het zuiden van Sardinië hebt. Het eilandje Favignana voor de westkust van Sicilië leek een mooie uitvalbasis, met een beschermde baai waar we konden ankeren voor de lange oversteek naar Sardinië.

De plek Florio aan de baai op het eilandje, bleek een rijke tonijnvisserij geschiedenis te hebben. We zagen de witte gebouwen van het voormalige bedrijf vanaf onze catamaran liggen. Het is nu een museum en we wilden dit graag bezoeken.

De Atlantische blauwvintonijn trekt ieder voorjaar vanuit de Atlantische Oceaan door de Straat van Gibraltar de Middellandse Zee in om zich voort te planten. Een deel van de scholen trok vervolgens langs de westkust van Sicilië en de Egadische Eilanden.

De bewoners wisten deze vaste trekroute al eeuwenlang te benutten. Tonijnvangst vond hier waarschijnlijk al in de oudheid plaats.

Dus vanaf ongeveer maart of april legden de vissers kilometerslange netten op de zeebodem. Die vormden een soort onderwaterlabyrint met verschillende achtereenvolgende kamers.

De tonijnen werden niet actief achternagejaagd. Ze zwommen tijdens hun natuurlijke trek tegen een lange geleidingswand van netten aan en werden vervolgens steeds verder het stelsel in geleid. Uiteindelijk kwamen ze terecht in de laatste ruimte: de camera della morte, de ‘kamer van de dood’. 

De Mattanza

De daadwerkelijke vangst heette de mattanza. Dat woord is afgeleid van een begrip voor doden of afslachten, maar voor de eilandbewoners was het tegelijk een zorgvuldig georganiseerd arbeidsritueel.

De leider was de rais, een soort vlootcommandant en meester-visser. Hij bepaalde wanneer er voldoende tonijn in de laatste kamer zat en of wind, stroming en zeegang geschikt waren. De speciale zware houten boten konden de vangst alleen bij betrekkelijk rustig weer uitvoeren. 

Op zijn teken voeren de tonnaroti naar de laatste kamer:

  • De boten gingen in een rechthoek rondom het net liggen.
  • De vissers haalden langzaam de bodem van het net omhoog.
  • Daardoor werden de tonijnen naar de oppervlakte gedwongen.
  • De vissen werden met haken en harpoenen aan boord getrokken.
  • De mannen werkten daarbij op het ritme van traditionele werkliederen, de cialome.

Het moet een enorm intens tafereel zijn geweest: tientallen mannen, zware vissen van soms honderden kilo’s, bloedrood water, geroep, zang en strakke coördinatie. De beelden in het museum zijn daarom zowel indrukwekkend als confronterend.

De Fabriek

De familie Florio maakte van een plaatselijke visserij een moderne industrie.

De grote vernieuwing was dat de tonijn voortaan gekookt, in stukken verdeeld, in blikken gedaan en met olijfolie geconserveerd werd. Daardoor was het product veel langer houdbaar en kon het naar heel Italië en naar het buitenland worden geëxporteerd.

In de fabriek ging het ongeveer zo:

  • de vissen werden schoongemaakt en verdeeld;
  • vrijwel ieder deel van de tonijn werd gebruikt;
  • grote stukken werden in een van de 24 ketels gekookt;
  • daarna droogde en koelde het vlees;
  • arbeiders legden het tonijnvlees met de hand in blikken;
  • de blikken werden met olijfolie gevuld;
  • vervolgens werden ze afgesloten, gesteriliseerd en verpakt.

Ook de kleurrijke oude blikken waren een belangrijk onderdeel van de marketing van Florio. 

De paradox is dus: de mattanza zag er zeer bloederig uit, maar verdween mede doordat modernere, veel minder zichtbare visserij op zee veel grotere aantallen tonijn ving.

Onder de indruk, liepen we verder het plaatsje Florio in, waar ook wat luchtigere zaken te zien waren, zoals dit terras met Gin Tonic en waar we ook weer het bekende ijs op Sicilië aten, Granite.

We voeren nog een stukje verder naar het westen op het eilandje Favignana, waar we steeds minder boten tegenkwamen. We gingen liggen in deze baai en toen staken we over naar Sardinië.